TIJDELIJKE PLAATSELIJKE REGEL M.B.T. DE PROCESSIERUPS

 

 

Waar processierupsen op de baan gevaar kunnen opleveren, mag de speler, als de bal niet in een hindernis ligt, die belemmering zonder straf ontwijken volgens regel 16.1. Bij het ontwijken van de belemmering, moet de speler een bal droppen (16.1b en 16.1c) binnen één clublengte van, of plaatsen (16.1d) op, het dichtstbijzijnde punt niet dichter bij de hole, waar de processierupsen geen gevaar opleveren. Als de bal in de hindernis ligt mag de speler met een strafslag de belemmering ontwijken volgens Regel 17.1d. Als er dan nog steeds belemmering door de processierups is, dan mag de speler zonder verdere straf de belemmering ontwijken.

 

De plaatsen waar processierupsen zijn aangetroffen zijn gemarkeerd met rood/witte linten. Als veilige afstand voor het bepalen van het referentiepunt kan ca. 5 meter worden aangehouden.

(fh)